Uittreksel 4. Graafschap Kent
Een verkenning van de ‘Garden of England’
DAG 5 CUCKOO TRAIL (Robertsbridge – Robertsbridge: 48 km)
Als we ‘s morgens onze fietsen uit de garage halen,
staat mijn voorband plat. Eerst inspecteer ik nauwkeurig het loopvlak
en dat levert een doorn op die met zijn fijne punt door de buitenband
is gedrongen. Het gaatje is miniscuul klein, de band heeft er een ganse
nacht over gedaan om leeg te lopen.
Het is voor mij een speciale dag want in de namiddag zullen we een spoorwegpad
aandoen: The Cuckoo Trail. Een afgedankte spoorlijn werd omgevormd tot
een wandel- en fietspad over een lengte van 17 km tussen Polegate (Eastbourne)
en Heathfield. Net zoals in Vlaanderen werd in Zuidoost-England in de
tweede helft van vorige eeuw een dichtaaneengesloten spoorwegnet aangelegd.
Naar dit ‘koekoekspoor’ tracht ik al dagen om de speciale
autovrije sfeer op te snuiven. Eenmaal op zo’n oude berm zie ik
in gedachten de stoomslierten tussen de struikkanten oplossen, hoor ik
de staccato kadans van de drukketel en als ik mijn hoofd uit het venster
steek, vliegen de asdeeltjes in mijn ogen. Hier en daar reiken takken
en struiken elkaar bijna de hand en is de doorgang erg smal. Daar hoor
ik de zijkanten van de trein tegen de uitstekende takken schuren.
Het spoorwegpad slingert zich in langgerekte bochten voort door afwisselende
landschappen. De overgangen met gewone wegen zijn zeldzaam en dat verhoogt
het rijplezier. Het pad is niet geasfalteerd maar comfortabel geëffend
met fijn grind. We volgen het in noordelijke richting en aangezien dit
spoor stroomopwaarts Cuckmere River volgt, voelen we een constante druk
in onze benen. Pas als we achter ons kijken, merken we de lichte hellingsgraad
op. Voor de aanleg van spoorlijnen werd er door de ingenieurs over gewaakt
dat het stijgingspercentage nooit 3% overtrof.
Ten noorden van de stad Heathfield loopt het pad ten einde en moeten we
ons noodgedwongen mengen tussen haastige auto’s. We fietsen nu terug
naar Robertsbridge over een B-weg. Het verkeer blijft tamelijk druk en
dus maken we gebruik van de vrijliggende asfaltstrook; slechts enkele
zeldzame voetgangers maken er gebruik van. Dan merk ik dat mijn voorband
aan ‘t leeglopen is, voor de tweede keer vandaag pech!
Het is nogal winderig op de heuvel en ik doe mijn windjack aan terwijl
ik aan het plakwerk begin. Dit kwartiertje stilstaan zal me even later
duur te staan komen want bij Carrick’s Hill moet ik met koude benen
heuvelop. Dit wordt stampen en sleuren. Ik schakel met lange tussenstappen
over naar mijn allerlaagste versnelling en hoop dat na de volgende bocht
de stijging zal ophouden, maar de klim blijft duren. Jan-Piet glijdt van
me weg en na de volgende wegkromming zie ik hem niet meer. Als ik nu maar
even kon recuperen! maar het stijgingspercentage blijft hoog. Mijn hart
begint sneller te slaan en gaat over in bonzen. Ik kom in zuurstofnood.
Mijn hartslag komt dicht bij zijn maximaal toerental en ik voel dat het
als een stoomketel uiteen gaat springen. Ik val stil en zoek steun tegen
de hoge berm. Ik hijg en hijg en hijg met mijn hoofd op het stuur.
Na enkele minuten voel ik het effect van de recuperatie en herneem de
beklimming en opeens lijkt ze makkelijk te nemen. Boven staat Jan-Piet
me op te wachten, echt ongerust kijkt hij niet; de voorbijrijdende automobilisten
hadden hem al teken gedaan dat ik halverwege de helling stilstond.
‘s Avonds trekken we in Robertsbridge naar de Seven Stars Inn om
veel te eten en veel te drinken. Hoewel deze pub geen vermelding kreeg
in The Good Pub Guide, toch is de barman een gezellige figuur die met
zijn kwinkslagen ambiance in de keet brengt. Ik probeer meerdere handpumped
bitter beers terwijl Jan-Piet zweert bij bij Guinness.
terug | boven