Ward Van Loock

alt Le Canal du Midi
Artikel verschenen in "Recreatief Fietsen"

 

In 8 dagen doorsteken van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan langs Le Canal du Midi en Le Canal Latéral à la Garonne.

 

PRAKTISCHE INFO


Canal du Midi: 240 km van Cap d’Agde tot Toulouse. Ongeveer 85 km zijn geasfalteerd.
Canal Latéral à la Garonne: 220 km van Toulouse tot Langon. Vanaf Moissac is het jaagpad moeilijk tot onmogelijk befietsbaar.
Spoorwegpad: van Uzeste (10 km ten zuiden van Langon) tot aan Atlantische Kust (Lacanau-Océan): ongeveer 100 km.

Boek : Le Canal du Midi et Pierre-Paul Riquet, uitgeverij Edisud 1993, ISBN 2-85744-658-6. Overzicht van de historiek van het kanaal. Met mooie foto’s en technische uitleg.

Vervoer : fietsslaapbus van Cycletours, Keizersgracht 181, 1016 DR Amsterdam. Tel. 020 5218400. Brochures verkrijgbaar in de meeste reisbureaus.
e-mail: fietsvakanties@cycletours.nl; website: www.cycletours.nl
Prijs heen naar Narbonne en terug vanaf Saintes: ongeveer 10.000 BEF

Kaarten : als je zoveel mogelijk de twee kanalen wil volgen, volstaan Michelinkaarten schaal 1:200.00 nrs 240, 235 en 234. Het spoorwegpad en de fietspaden van de Landes staan er duidelijk op aangegeven.

Toeristische info : websites van de comités régionales en comités départementales langs de twee kanalen:
www.Tourisme-midi-pyrenees.com
www.audetourisme.com
www.cr-languedocroussilon.fr/tourisme
www.tourisme-gironde.cg33.fr
www.lot-et-garonne.com
www.charente-maritime.org


In het zuiden van Frankrijk, tussen de Pyreneeën en de laatste uitlopers van het Centraal Massief ligt tussen Agde en Toulouse een monument van een kanaal dat één van de oudste binnenkanalen van Europa is. Het werd gebouwd tussen 1666 en 1681 toen de zonnekoning Lodewijk XIV heerste over Frankrijk. Een rijke edelman uit de Languedoc, Pierre-Paul Riquet had geen ingenieursopleiding genoten maar toch durfde hij het aan een kanaal te ontwerpen als onderdeel van zijn droom om de twee zeeën van Frankrijk met elkaar te verbinden door een waterweg.

Het Canal du Midi is erkend als monument van het werelderfgoed en het was mijn droom dit eeuwenoud monument met de fiets alle eer aan te doen, het te volgen tot Toulouse (240 km) en vandaar door te steken naar de Atlantische kust langs het later gegraven Canal Latéral à la Garonne. Niet alleen mijn fiets maar ook een bijzonder flesje water moesten daartoe bijdragen. En mijn fietsmaat Toon natuurlijk ook.


Flesje vullen…
Op een zaterdagochtend in mei werden we gelost aan een camping ten zuiden van Narbonne. De avond voordien waren we in een druilerige regen in Maastricht op de fietsbus van Cycletours gestapt. Nu scheen volop de zon en dus kregen we zin om aan onze doorsteek te beginnen. In feite konden we het ons gemakkelijk maken en vanaf Narbonne langs de kortste weg naar Béziers fietsen om daar het Canal du Midi te vervoegen maar principieel als we zijn besloten we onze tocht beginnen op de heilige plek zelf waar het kanaal uitmondt in de Middellandse Zee: Le Bassin de Thau.
Op zondagochtend bereiken we Port des Onglous waar het kanaal overgaat in Le Bassin de Thau, het voorgeborgte van de Middellandse Zee. Aan het uiteinde van de dam staat een symbolische vuurtoren en aan zijn voet vul ik mijn flesje met kostbaar water uit de Middellandse Zee.. Zal ik dit flesje onderweg niet kwijtgeraken? En na hoeveel dagen zal ik het uitgieten in de Atlantische Oceaan?

Idyllischer kan niet
De eerste twee kilometers volgen we het kanaal langs een gestrekte dam, daarna moeten we enkele kilometers omrijden om terug bij het water te komen. Dan komt het kanaal onverwacht in een groene omgeving terecht en bepalen platanen het kanaallandschap. Om de 10 m staat een plataan. Ze vormen één onafgebroken schaduw op het jaagpad. Dat is meestal van grinderige kwaliteit. Pas enkele kilometers voor Portiragnes komt er asfalt onder onze wielen en dat lichtlopend plezier (15 km) duurt tot Béziers (75.000 inw). Van de stad krijgen we niet veel te zien want het kanaal loopt langs zijn zuidrand. Op korte afstand zijn er op het kanaal twee kunstwerken gebouwd: eerst het viaduct over de Orb-rivier en kort daarna L’écluse de Foncérannes. Dit is een sluizentrap van 5 sluizen. Later heeft men ter vervanging een hellend vlak ernaast gebouwd. Voor de talrijke plezierboten is dit een flessenhals en dus ontstaat er een file van wachtende plezierboten.

Eenmaal weg uit de stedelijke uitstraling van Béziers, kunnen we ten volle genieten van de idyllische landelijkheid van het kanaal dat zich door ongerept land voortsleept. Het unieke van dit kanaallandschap wordt geleverd door de onafgebroken rij platanen, die het kanaal een pastoraal karakter geven. Rechte lijnen lijken deze waterweg vreemd en zo krijg je heel mooie gebogen effecten, verrassende kronkelingen en onverwachte wendingen. De oeverkanten zijn begroeid met riet en hoge grassen. Af en toe wordt de waterlijn onderbroken door stenen bruggetjes met een ronde doorvaaropening. Ze zijn met respect voor de geschiedenis liefdevol opgeknapt en spiegelen zich in het water. Als een liefdevolle minnares die zich languit uitstrekt in het groen laat dit kanaal zich zachtjes strelen door de langzaam varende plezierboten, die als witte zwanen statig over het wateroppervlak vooruitschrijden. Wij fietsers proberen nog stiller vooruit te komen. Alleen het hotsend verzakken van onze fietstassen is te horen telkens we over een boomwortel wippen, en die zijn er in overvloed. Na een tijd begin je ze te verwensen. Meestal rijden we over platgereden aarde, sommige stukken zijn vlot berijdbaar, andere weggedeelten zijn bezaaid met putten en bulten en lijkt ons fietsen meer op mountainbiken.

Het wordt middag en we kijken uit naar een restaurantje want we zijn te laat tot het besef gekomen dat in la douce France op zondag de winkels potdicht blijven, zeker in deze weinig toeristische omgeving. In een kleine inham treffen we een haventje aan en een restaurant dat open is. Maar dat lost ons eetprobleem van vanavond niet op, want waar gaan we nog brood vinden?

Capestang is een stadje van 3000 inwoners verderop langs het kanaal. We toeren de straten af maar geen bakker open. Terwijl we overleggen spreekt een passerende mevrouw ons aan en we leggen haar ons probleem voor. Waarop ze ons heel spontaan meetroont naar haar bescheiden rijwoning waar we vergast worden op frisdrank en koekjes. We krijgen een groot stokbrood mee voor vanavond. “Non, rien à payer, je vous le donne avec plaisir » zegt ze tot afscheid.

‘s Avonds, na 80 km fietsplezier, slaan we onze tenten op langs het kanaal in de buurt van Argeliers. Nog enkele vakantieboten passeren ons kampement maar in de schemering valt de natuur stil. Tijd voor een duik in het kanaal want wat voor zin heeft het urenlang langs het water te fietsen als je geen gebruik kunt maken van zijn verfrissende kracht? Wild kamperen met water in de buurt heeft niks dan voordelen: water voor de was, water voor de afwas en water voor een badwas. Geen drukke campingtoestanden met joelende kinderen tot laat in de nacht, we zijn verbonden met de stilte en de sterren; slechts af en toe in de verte lichten de koplampen van een auto op terwijl we de glimwormen bestuderen in de grasberm.

 

Op weg naar Carcassonne
Onze derde dag fietsen we door de Minervois (departement Aude). In het eerste plaatsje zoeken we op deze maandag een bakker op want voor ontbijt was er weinig brood over. Enkele kilometers verder fietsen we over een ander kunstwerk van Riquet: het Aquaduc du Repudre, een ingenieuze overbrugging van het gelijknamig zijriviertje van de Aude. In 1667 was dit een technisch hoogstandje van wereldformaat. De Aude komt langzaam dichter bij het kanaal en beiden zoeken zich een doorgang tussen twee heuvels. Het zijn de laatste uitlopers van Le Parc Régional du Haut-Languedoc. Tot Carcassonne lopen kanaal en Aude parallel in dezelfde stroombedding maar je krijgt beiden nooit samen te zien. Zo’n 20 km voor Carcassonne verandert de wegbekleding in een fijn platgereden grindbedding. Allerlei verbeteringswerken aan en rond het kanaal en zeker de superbrede grindweg doen veel afbreuk aan het pastorale karakter van het kanaallandschap maar het is wel comfortabel fietsen. Langs de oeverkanten groeien andere loofbomen dan platanen. We komen de stad binnen in de late namiddag en dus zijn we te laat om de oude versterkte stad te gaan bezoeken.


Het waterscheidingspunt van Narouze
Na onze inkopen zetten we onze tenten neer enkele kilometers buiten het stadsgewoel. Tussen Carcassonne en Castelnaudary vind je geen enkel dorp langs het kanaal. Het jaagpad is hier trouwens niet meer dan een smal spoortje tussen hoog gras en het vraagt heel wat behendigheid om vooruit te komen. We moeten onze beste mountainbikevaardigheden bovenhalen. Vanaf Sauzens verbetert de wegkwaliteit en dat zal zo blijven tot Castelnaudary, 27 km lang.
Het is een gezellig stadje van 12.000 inwoners dat bekend is van zijn cassoulet. Aan het kanaal is een groot watervlak uitgegraven dat eertijds dienst deed als vrachthaven, nu als plezierhaven. Na Castelnaudary verandert het asfalt in een grinderige weg tot aan het waterscheidingspunt (bief de partage). We zijn op het hoogste punt (200 m) van ons traject.Vanaf Agde tot deze plek keken we altijd omhoog naar de sluisdeuren maar voortaan is het verval van de sluizen dalend tot aan de Atlantische Oceaan. De grootste zorg van de ontwerper van het kanaal, Jean-Paul Riquet, was te zorgen voor een constante watertoevoer om het kanaal te voeden langs de twee zijden. Normaal kunnen nabije rivieren het waterverlies bij versassing compenseren maar om ook in droge zomers zeker te zijn van voldoende water liet hij een toevoerkanaaltje graven van 38 km dat vertrekt op de hoogste toppen van de Montagne Noire in de buurt van Revel. Deze ‘rigole de la montagne’ is een kunstwerk op zich dat begint met een kunstmatig stuwmeer (Lac de Ferréol) bijna 200 hoger dan de bedding van het kanaal. Waar het bevoorradingskanaal in het Canal du Midi uitmondt is er een groot park aangelegd met veel didactische uitleg over deze ingenieuze waterbeheersingswerken. Je houdt het niet voor mogelijk wat voor een technisch vernuft er nodig was om dit alles te realiseren, en dat in de 17de eeuw! Ter ere van Riquet is er op een heuvel in 1827 een monument opgericht dat bekroond wordt met een hoge obelisk.

Vanaf Narouze komen we in het Département de la Haute Garonne en dit provinciebestuur heeft oog voor de fietsers. Tussen Narouze en Toulouse (50 km) is een breed koninklijk fietspad aangelegd langs het kanaal. Na de vele kilometers ongelijke en soms hobbelige bedding is dit voor ons een droompad, de beloning voor vele uren zwoegen op moeilijke jaagpaden.


Le Canal Latéral à la Garonne
Bij het aanbreken van onze vijfde fietsdag begin ik mij grote zorgen te maken. Hoe gaan we zonder kleerscheuren Toulouse doorkomen? Deze grootstad telt ongeveer 400.000 inwoners en alle wegen zullen zeker afgestemd zijn op het rijcomfort van de auto’s, stel ik me voor. Maar gelukkig valt het anders uit. We kunnen in de agglomeratie onafgebroken het brede jaagpad langs het kanaal volgen. Alleen de allerlaatste kilometer moeten we ons onder de auto’s mengen. Waar het Canal du Midi uitmondt in de Garonne vertrekt het Canal latéral in noordelijke richting. De eerste 10 km zijn niet zo’n pretje want een autostrade raast op enkele meters van het kanaal. Eenmaal de bedrijvenzones van Toulouse voorbij oogt het kanaal mooi. Echter lang niet zo mooi als het Canal du Midi want dit tracé verloopt in lange rechte stukken die weinig verrassingen inhouden. Ondanks deze beschaafde rechtlijnigheid toeren we vaak door groene gebieden waar alleen de vogels de stilte doorbreken. Het jaagpad is van wisselende kwaliteit, soms voelen we een grindbeslag van goede kwaliteit, soms hobbelen we over een smal spoor tussen gras.

In de buurt van een afgelegen sluis slaan we onze tenten op in de ondergaande zon. Het is onze meest romantische kampplaats geworden, met een zwempartijtje in het kanaalwater, lekker gekookt op het gasvuurtje, onze was opgespannen tussen twee bomen en tot slot een wandeling in het schemerdonker waarbij we stiekem lekkere meikersen proefden in een afgelegen tuin.


Tussen kanaal en rivier
Vóór de stad Agen verliest het jaagpad zich soms in de struiken en moeten we van de fiets; of het is zeer moeilijk berijdbaar met onze zwaarbeladen fietsen. Na Agen blijft het worstelen en wroeten en ontaardt het jaagpad in een hobbeldebobbelse weg. Aanvankelijk wil ik kost wat kost het water blijven volgen maar Toon ziet het hard labeur niet meer zitten. Na overleg besef ik dat mijn jaagpaddroom-van-tussen-de-twee-zeeën niet zal uitkomen. Eerst doen we ons als toetje bij het avondmaal nog te goed aan een aarbeienveld langs het water maar op onze zevende dag zeggen we het kanaal vaarwel en met behulp van de Michelinkaart zoeken we ons een weg naar Langon. Daar mondt Le Canal Latéral uit in zijn grotere broer La Garonne.


Een spoorwegpad van 90 km
Vanaf Langon duiken we de Landes in. Zo’n 10 km ten zuiden van Langon begint er in de buurt van Uzeste een geasfalteerd spoorwegpad (63 km in één stuk!) dat ons in een opperste fietsplezier laat genieten van de ongerepte dennenbossen van de Landes. Hoewel, ongerept zijn ze niet meer want ganse stukken bos zijn neergeveld door de hevige orkaan van 3 jaar geleden. Als afgebroken lucifers hangen de stammen in mekaars armen of zoeken steun bij een overeind gebleven collega. Door een donkergroene weelde en met de natuurlijke geuren van dennennaalden en hars in onze neus vorderen we snel. Dorpen en steden zijn verderaf dan ooit. Na Saint-Symphorien fietsen we Le Parc Régional des Landes de Gascogne binnen.
Na 63 km onafgebroken spoorwegpad is er in Bios een onderbreking van 7 km maar in Biganos nemen we de verkeersvrije draad weer op voor meer dan 20 km. Ondertussen fietsen we langs de oevers van het Bassin d’Arcachon. Het pad strekt zich kilometerslang uit tussen tuinwijken met lieflijke villa’s. De oude spoorwegbedding gaat dan ongemerkt over in een bekleed bospad dat vóór de laatste zeeduinenrug parallel loopt met de zee richting Lacanau.


Kamperen op het strand
Soms horen we het gedruis van de golven achter de duinen en hoe langer hoe meer krijgen we zin om de zee te zien en te ruiken en te voelen. Ondanks het mulle zand trekken we onze beladen fietsen zover mogelijk in de duinen. Tot het onbegonnen werk wordt en we onze fietsen achter de struiken verbergen en te voet met onze tassen de ultieme duinenrij beklimmen. Daarachter ligt ons einddoel: de Atlantische Oceaan die zich openbaart in haar natte oneindigheid maar ook in het rustig neerbuigen van haar golven op het strand. We zijn moederziel alleen met de wind en het water. We vergeten ons moeizaam dabben door het mulle zand in het vooruitzicht van een nacht dicht bij het water. Broederlijk naast elkaar beginnen we onze tenten neer te poten, hoewel de haringen weinig houvast vinden in het losse zand. We vinden het heerlijk de tentopening naar de zee te zetten, zodat de geest van de zee tenvolle in onze tent kan binnenkomen.
Na het warm avondeten is het tijd voor hét ritueel van deze tocht: het uitgieten van het flesje Middellandse-Zee-water in de golven van de Atlantische Oceaan. Het zal niet zonder gevolgen blijven. Pas uren laten zal ik tot me doordringen wat ik met deze handeling aangericht heb.

Want midden in de nacht steekt er een hevige stormwind op, later nog versterkt door striemende regen. Onophoudelijke windstoten schudden aan het zeil, trekken aan de haringen en proberen het buitenzeil te ontwrichten. Ik geraak in panische angst dat mijn enige tentstok onder de stormkracht zal breken. Toon en ik roepen geregeld naar elkaar om er de moed in te houden. Ik hoor hoe het zand opgezwiept wordt tegen het buitenzeil en zet me schrap tegen de tentopening. Om op alles voorbereid te zijn pak ik alles in en doe m’n regenpak aan, klaar voor evacuatie. Toon doet hetzelfde en niet lang daarna hoor ik hem roepen dat zijn buitenzeil door de wind is meegenomen. Gelukkig is het dan gedaan met regenen. De ganse nacht heb ik zittend en knikkebollend doorgebracht. ’s Morgens geraak ik bijna m’n tent niet uit want het zand heeft zich tegen de opening opgehoopt. Toon vindt zijn buitentent wat verderop terug, bedolven onder het zand.


Gironde oversteken naar Saintes
Het is volbracht. Met het plengen van het Middellandse-Zee-water in de Atlantische Oceaan is mijn opdracht geslaagd en ondanks de voorbije storm welt een voldaan gevoel in me op. In 8 dagen Frankrijk in zijn breedte ‘nemen’ levert niet eens een nieuw record op en is zeker geen prachtprestatie maar het dieperliggend concept van twee uitersten met elkaar verbinden is de uitdaging waard gebleken.

We fietsten de 650 km tussen Agde en de Atlantische kust tegen zowat 80 km per dag. Maar we moeten nog terug thuis geraken. In Saintes wacht de fietsbus ons op en dus volgen we de kustlijn naar de Gironde-monding langs exclusieve fietspaden. Ter hoogte van het Lac de Lacanau en het Lac d’Hourtin-Carcans doorkruist een netwerk van fietspaden de dennenbossen van de Landes. De paden zijn niet altijd van prima kwaliteit omdat ze oorspronkelijk aangelegd werden door de Duitsers in WO II. Na al die jaren zijn er scheuren en verbrokkelingen in het beton gekomen. Soms zijn ze erg smal. Bijna in rechte lijn volgen we de de paden door dit dicht bebost duinengebied. Meermaals is het onverwacht heuvelachtig.
Zo bereiken we na 80 km Verdon-sur-Mer waar we in Pointe de Grave de veerboot nemen naar Royan aan de overzijde van de Gironde. Na Royan kiezen we voor landelijke wegen langs Thézac en Varsay om na 10 dagen fietsen in Saintes aan te komen.

terug | boven