Naar de bron van de Schelde
Een groepsfietstocht van Temse naar Gouy in 4 dagen (234 km)
DAG 1 : TEMSE - SCHELDERODE
Met z'n twintigen trekken we ons vanuit Temse aan de Schelde op gang met als dageinddoel Schelderode in de buurt van Gavere, 65 km verder. Er werd vooraf afgesproken dat elkeen volgens zijn eigen tempo en godsvrucht het traject mag afleggen en dus maak ik van de gelegenheid gebruik om met fietsmaat Jan-Piet en schoonzus Evelyne de Oude Schelde te gaan verkennen. De luchten blijven grijs en aan de frisse kant als we in Weert een café binnenstappen voor een opwarmertje. De anderen zullen ondertussen al een aardige voorsprong opgebouwd hebben maar dat deert ons niet.
Terug op de Scheldedijk kijken we uit op de vele groenschakeringen die ons omringen. Onderaan tegen het water aan wisselen rietranden af met brandnetels die zelf overwoekerd worden door slierten heggewinde. Aan landzijde zijn de populieren heer en meester in dit natte land. Als kaarsrechte soldaten staat ze keurig in het gelid in een zee van brandnetels. In Sint-Amands nemen we het veer en aan de andere kant worden we opnieuw ondergedompeld in het groen, het enig contrast in de groentinten is het asfaltlint op de dijkrug.
Stilletjes aan vragen we ons af hoever de groep voorop zou zijn. Het antwoord komt van de GSM-communicatietechnologie die Jan-Piet in zijn achterzak gestoken heeft. De groepsverantwoordelijke belt op en vraagt waar we blijven. Meteen begint Jan-Piet er een stevig tempo op na te houden, net nu we onbezorgd aan de babbel waren. Hij voelt de sociale druk door de telefoon terwijl ik alle GSM's verwens. Gedaan het gezapig fietsen, gedaan met onze landschapsmijmeringen. Wat erger is : Evelyne moet lossen. Onze kameraden vinden we uitgezakt terug op een terras in de buurt van het veer van Appels. Ze vonden onze aanwezigheid voor de rest van de dag blijkbaar de moeite van het wachten waard.
De ganse groep vervolgt eensgezind het jaagpad dat breed genoeg uitvalt om naast elkaar te peddelen en gezellig te babbelen. In Wichelen maakt de Schelde een halfcirkelvormige bocht en degradeert het pad tot een losgrinderige bedekking. Maar dit houdt slechts enkele kilometers aan. De laagten naast het jaagpad zijn de Kalkense Meersen, oorspronkelijk een nat weidegebied dat vroeger elke winter overstroomde maar dat sinds de dijkverhogingen in de jaren tachtig drooggevallen is. De wind is in de laatste uren in kracht toegenomen en staat pal op ons voorwiel gericht.
We steken we in Melle de brug over en volgen het jaagpad langs de Ringvaart tussen Melle en Merelbeke. Maar het jaagpad is van korte duur en dus moeten we door het dorpscentrum. Opeens ben ik de groep uit het oog verloren. Gelukkig heb ik mijn eigen stafkaart bij de hand en ik stippel een traject uit om terug bij de Schelde te komen. Ik bereik de tijarm van de Schelde en even later de stuwinstallatie van Merelbeke. Deze stuw is in de hoogte regelbaar zodat bij een grote toevoer het Scheldewater direct van de Gentse agglomeratie kan weggeleid worden. Het wordt erg stil langs de stroom. Links van mij zie ik in de verte dorpjes liggen. Ik geniet van de afwisseling tussen rode daken en groene bomen maar realiseer me opeens dat onze groep in Schelderode gaat overnachten, dus moet ik een zijweggetje vinden. Zo kom ik op de verbindingsbaan naar Schelderode. Een man, aan wie ik naar het Bakkershof vraag, wijst me de weg langs een nog drukkere steenweg. Ik had het kunnen weten : automobilisten hebben alleen snelle verbindingen in hun hoofd maar voor een fietser is het stukken belangrijker verkeersarme wegen te nemen. Ettelijke kilometers verder ontwaar ik twee fietsers die me bekend voorkomen. Zij zijn de groep kwijtgespeeld en zijn in de wirwar van landelijke wegen op zoek naar ons logies, de boerderij van de familie Vandenmeerssschaut, eigenlijk een grote kinderboerderij.
DAG 2 : SCHELDERODE - DOORNIK
Onze tweede fietsdag kondigt zich helder en mooi aan. Vanavond overnachten we in de Jeugdherberg van Doornik. Van Makegem fiets ik met wind op kop de ganse groep naar Gavere waar we het brede asfaltpad naast de Schelde volgen richting Oudenaarde. Aan de overkant kijken we tegen een steile hoogte aan. Boven ligt het kasteeldomein Grenier. Het is de eerste verhevenheid die al een klein idee geeft van de heuvels van de Vlaamse Ardennen. De Schelde lijkt zich dieper in te graven in het landschap. Kerktorens tekenen zich af op heuvelkammen en rond de kerk geschaard steken rode daken boven de bomen uit. Geregeld zien we naast de dijk kronkelige vijvers liggen: oude Scheldearmen die een eigen leven zijn beginnen leiden sinds de rechttrekking van de stroom. Uitgegroeide schietwilgen en zwarte els boorden hun oevers af. Naast het rechten werd de Schelde ook verdiept en is daardoor bevaarbaar geworden voor schepen tot 2000 ton
.
Oudenaarde komt in zicht. De zware toren van de Sint-Walburgakerk (76 m) krijg je al van ver te zien. De Scheldestroom snijdt Oudenaarde doormidden. De 'bergen' van de Vlaamse Ardennen tonen zich als afgeplatte bulten. Ze liggen op ongeveer 80 m hoogte, eigenlijk de moeite van het vermelden niet waard, maar in 'le plat pays' blijven ze een bezienswaardigheid. Aan de sluis van Kerckhove lopen een tros plezierboten in de saskamer. We houden even halt om het versassen te bekijken. Deze sluis is 14 m breed, 125 m lang met een verval van 1,5 m. Ze werd in 1957 gebouwd ter vervanging van de sluis uit 1920 toen de Schelde slechts voor schepen tot 600 ton bevaarbaar was. De maximale laadcapaciteit bedraagt nu 1350 ton.
We naderen de taalgrens. Kluisbergen is een grensgeval want deze gemeente heeft een Waalse tegenhanger : Mont de l'Enclus. Als een platte boezem zonder duidelijke tepel rijst de Kluisberg op achter de elektrische centrale van Ruien. Een lichte paniek ontstaat als we overvallen worden door een plensbui die echter maar van korte duur is. In Bossuit vinden we het kanaal naar Kortrijk op onze weg. In de verlaten dorpstraat vinden we een eenvoudig café open om ons lunchpakket aan te spreken. Via de door mij vervloekte GSM zijn de nakomers verwittigd dat we in dit café op hen wachten. Ondertussen bedient een oude vrouw ons zonder haast van drank, we maken met deze pauze in één klap haar week goed. Maar ook een GSM kan de menselijke voorkeuren niet richten. De achterblijvers blijven weg, dus zetten we onze weg zonder hen voort.
Bij velen begint naar het einde van de namiddag de vermoeidheid te knagen, het is immers geen lachtertje om bij deze stevige zuidwester door te duwen. In de buurt van Pecq houdt de kopgroep halt want er moet een keuze gemaakt worden. Jan-Piet heeft immers het idee opgevat om met enkele moedigen de Mont-Saint-Aubert te beklimmen ipv verder de Schelde te volgen tot Doornik. Hij verbindt er zelfs zijn politiek lot aan en belooft een gulle tractatie aan al diegenen die zonder afstappen de top van 145 m halen.
Ongeveer de helft van de groep neemt de uitdaging aan en we verlaten de oevers van de Schelde op zoek naar deze getuigeheuvel. We houden er een stevig tempo op na en dat speelt in m'n voordeel want dan zijn mijn benen goed opgewarmd voor de ultieme klim. De hellingsgraad valt aanvankelijk goed mee, achter iedere volgende bocht bereid ik me voor op het ergste maar de steilte blijft uit. En dan, op een moment dat ik het niet meer verwacht, draaien m'n ogen steil naar boven en ik zet me schrap. Het is geen lachertje om mezelf met al m'n bagage omhoog te duwen, even geraak ik in paniek als m'n kleinste versnelling even hapert (Koga, laat me nu niet in de steek !). Mijn ademhaling begint heviger te worden, ik zuig m'n longen vol en pers de gebruikte lucht er met alle macht terug uit om de opeenhoping van melkzuur in m'n beenspieren geen kans te geven. Dan voel ik hoe m'n hijgen een rustiger ritme aanneemt en geruststelling komt over me heen : ik zal het halen. Ben ik een van de laatsten ? De meesten zijn me voorbijgestoken en hebben het gehaald en ik vind hen op de top in allerbeste stemming. Alleen Jan-Piet zit te vloeken want deze klim wordt een kostelijke zaak voor hem. Slechts een tweetal (vrouwen) hebben het niet gehaald. Bij de afrekening van de drank, krijgt Jan-Piet slechts enkele muntjes terug op zijn bankje van duizend frank…
In Doornik treffen we de Scheldefietsers aan op een terras. We moeten nog even wachten want de jeugdherberg gaat pas om zes uur open. Ze ligt in het centrum van de stad, in een oud gebouw maar ze is in prima staat met gerieflijke kamers en handige doucheruimtes. Na het eenvoudig avondmaal trekken we in trosjes de stad in.
DAG 3 : DOORNIK - CAMBRAI
Vandaag moeten we in Cambrai geraken, zo'n 70 km verder. Het belangrijkste obstakel op onze weg is Valenciennes, zegt Luc, omdat we doorheen deze grote agglomeratie het jaagpad niet altijd kunnen volgen en de groep kan verdwaald geraken in deze grote stadsagglomeratie. Als we grensdorp Antoing achter ons gelaten hebben, krijgt Jan-Piet weer een goede inval. Hij wil graag de kasseistrook van 2 km in het Bois de Wallers uitproberen, de renners uit Parijs-Roubaix achterna. Zes kandidaten willen het samen met hem proberen. We berekenen dat we net over de grens de Scarpe kunnen volgen tot Saint-Amand-les-eaux. In Mortagne du Nord waar de Scarpe in de Schelde vloeit, splitst de groep. De meesten volgen verder het jaagpad langs de Schelde naar Condé terwijl wij zessen al beginnen af te tellen voor het avontuur van Wallers. Saint-Amand ligt in het natuurpark Plaine de la Scarpe et de l'Escaut. Het jaagpad is aanvankelijk nogal hobbelig maar in het zicht van Saint-Amand verbetert de wegbekleding. Aan de zuidelijke rand van dit stadje verlaten we definitief de Scarpe en gaan op zoek naar het Bois de Wallers. Al vlug doemt het dichte bos op en na het oversteken van een autoweg fietsen we er een hele tijd langs.
Dan zien we eindelijk een opening in het bos : een gewone dreef met een schijnbaar vlakke wegbedekking. Ik wist het al langer maar Jan-Piet gaat het nog eens vragen aan een wandelaar : ja, dit is de beruchte kasseistrook. Ze ligt midden in een brede corridor en opzij loopt een asseweg. Nog een beetje onwennig en misschien teveel in bewondering voor deze beroemde kasseien uit Parijs-Roubaix vorderen we op de vlakke asseweg. Dan wagen we het er toch op en we dokkeren over deze honderdjarige oneffenheid. Hebben we schrik dat onze fiets zal uiteenvallen of dat onze banden lek lopen ? In elk geval houden we een lage snelheid aan die ons elke bobbel en hobbel in de armen doet voelen. Ik word goed dooreengeschud en zelfs m'n ogen kunnen zich niet meer stilhouden, ze trillen gewoon mee met elke kassei. Ik zie Jan-Piet voor mij de kasseiweg verlaten maar ook ik houd het niet vol en na 100 m moet ik opzij terwijl ik blijf natrillen.
De kasseiweg is 2 km lang en daar is het woud tussen Saint-Amand en Valenciennes op z'n smalst.
We zijn niet zover meer van de Schelde maar toch besluiten we een omweg te maken om Denain en Escudain, twee grote industriële plekken te vermijden. Zo komen we in Bouchain aan de Schelde uit. Onwillekeurig kijken we richting Valenciennes om te zien of de anderen niet komen aanfietsen. Geen glimp. De Schelde is hier op een moderne manier gekanaliseerd en het jaagpad heerlijk afgewerkt, toch ongewoon voor Frankrijk.
Le bassin rond is de plaats waar de Schelde terug is van weggeweest. Het is een schattig hoekje gelegen in de oksel van de Schelde en de Sensée. Heel wat schepen vinden hier eventjes rust en van hieruit vertrekken ook toeristische rondvaarten.
Vanaf de brug kijken we neer op de Schelde en twijfelen welke kant we zullen uitproberen, welke oever heeft een berijdbaar jaagpad ? We hebben blijkbaar de goede keuze gemaakt want enkele kilometers verder hangen aan de overkant de bomen tot in het water. In de buurt van sluizen is de staat van het jaagpad in betere staat dan elders. Soms ligt het er verwaarloosd bij of begint gras de grindbedekking te overwoekeren.
Rond vijf uur fietsen we Cambrai binnen onder een warme zon. In het hart van deze oorspronkelijk Vlaamse stad Kamerrijk ligt een groot plein : la place Aristide-Briand met aan de noordzijde de monumentale gevel van het stadhuis en aan de overzijde het belfort. De oude stad heeft slechts1 km doorsnede. In de buurt van het station ligt ons hotel : Hotel de France. Als we eraan komen is er niemand van het hotel present om ons te onthalen, dus zetten we ons met een biertje op een terrasje vanwaar we de rest zullen zien aankomen. De tijd verstrijkt maar de groep komt maar niet opdagen. Jan-Piet begint zich danig ongerust te maken, hij probeert hen met z'n GSM hen te bereiken maar krijgt geen gehoor, wat hém nog meer bezorgd maakt maar mij meewarig doet glimlachen. Hij weigert zelfs mee te gaan eten, want indien hij opgebeld wordt, moet hij standby zijn, onmiddellijk paraat staan om in te grijpen en om desnoods met het busje de onfortuinlijke deelnemers gaan ophalen. Het wordt zes uur, half zeven, zeven uur zonder dat we enig bericht krijgen. Enkelen beginnen zich al te installeren in de kamers van het hotel.
DAG 4 : CAMBRAI - GOUY
's Anderendaags horen we het verhaal van de achterblijvers. Zoals gevreesd hadden ze veel tijd verloren in Valenciennes, daarbij waren er drie onder hen lek gereden, waaronder Luc. Voor zijn dunne rennerstubes was de stenige ondergrond er te veel aan.
Vandaag staat de koninginnerit naar de bron op het programma. Het is slechts een dertigtal kilometers en we hopen er vlak na de middag aan te komen.
Eerst kunnen we de Schelde nog comfortabel volgen hoewel het jaagpad op verschillende stukken te wensen overlaat. Maar in Rue-des-Vignes verandert het jaagpad in een grasspoor en zijn we genoodzaakt een gewone verkeersweg nemen. Deze asfaltweg blijft in de buurt van de Schelde, we passeren de vroegere Abbaye de Vaucelles, een cisterciënzersabdij daterend uit de 12e eeuw. De weg voert ons langs het Souterrain de Ricqueval, een 5km lange kanaaltunnel die de scheiding vormt tussen twee stroombekkens : langs deze kant van de heuvels het Scheldebekken, enkele kilometers verder naar het zuiden monden alle rivieren uiteindelijk uit in de Atlantische Oceaan. Aan de andere kant van de tunnel maakt het kanaal de verbinding met de Somme die naar de Atlantische Oceaan stroomt. Voor het eerst en …voor het laatst moeten we enkele heuvels overwinnen. Voor enkelen onder ons is dit laatste loodje er te veel aan.
Nog een laatste helling, een laatste afslag terwijl ik halsreikend uitkijk en bereken waar de Schelde zijn bron verscholen heeft. Even de weg verlaten en daar bereiken we de heilige plaats, het bedevaartsoord waar we dagenlang naar trachten. Waar het water onderaan de heuvel opwelt is de bronopening tegen instorten beschermd door een bakstenen muur in een U-vorm. Voor bezoekers is deze plek ingericht als een erepark met rustbanken met als middelpunt een gedenkteken geschonken door de stad Antwerpen. Een in steen uitgehouwde reuzevis stoeiend met een cupidootje houdt de wacht bij de bron.
Dit is een dankbare plaats voor de groepsfoto, maar niemand van de groep schijnt mij dolenthousiast dat we ons einddoel bereikt hebben, geen koorgezang, geen vreugdekreten. De groep brokkelt uiteen en elkeen scharrelt wat rond, niet wetend wat te doen. Hier ontbreekt iets, vind ik. Als door een hemelse ingeving doe ik m'n schoenen uit en daal af in het frisse bronwater. Na zolang langs het Scheldewater gefietst te hebben wil ik het aan de lijve voelen, hoe het wegglijdt langs mijn enkels steeds verder weg naar het noorden, hoe dit bronwater onderweg talloze beekjes in zijn schoot ontvangt en steeds zwaarder wegzakt in zijn eigen bedding. Breder en breder groeit hij uit en hoewel hij onderweg in toom gehouden wordt door moderne kanalisatie en sluizen is de Schelde na Gent niet meer te houden. Bij zware regenval zwelt hij op en dan denkt hij niet meer aan zijn prille begin en de bescheidenheid van het beekje in de buurt van Gouy.